Sociaal, politiek en economisch systeem.
Gebaseerd op het principe dat alle mensen gelijk zijn en dezelfde kansen hebben.

Socialisme houdt in dat productiemiddelen ook gelijk onder de mensen verdeeld moeten worden. Dit betekent dat de bestaande eigendomsverhoudingen moeten worden veranderd. Volgens radicale socialisten zou dat moeten gebeuren via hervormingen of revolutie. Het socialisme staat tegenover het kapitalisme.

Volgens het socialisme moeten arbeiders zich politiek organiseren om zo de macht over te nemen binnen de huidige maatschappij. Het opkomen van de vakbonden hangt nauw samen met de opkomst van het socialisme.

Het socialisme is een term die gebruikt wordt om een ideologie aan te geven, maar ook om een economisch systeem te duiden. Dit economische systeem lijkt op het communisme, maar de eigendomsverhoudingen zijn minder extreem doorgevoerd. Het socialisme komt voort uit de klassenstrijd tussen de kapitalistische rijken en de minder rijke arbeiders in de wereld. Het resultaat van de klassenstrijd is dat de arbeiders de macht krijgen. Het socialisme komt op door de economische en sociale gevolgen van de industrialisering die op gang komt in Engeland en in de rest van Europa.

De term socialisme wordt voor het eerst gebruikt in de negentiende eeuw. In 1827 worden er in het Engels de volgelingen van Robert Owen mee bedoeld. In Frankrijk zijn socialisten vanaf 1832 de aanhangers van Antimoon. Twee belangrijke volgelingen zijn de Portugezen Isaac en Emile Péreire, twee broers van joodse afkomst.  Het socialisme van Owen en Saint-Simon wordt utopisch socialisme genoemd, omdat het uitgaat van het harmoniemodel.

Dit socialisme wordt later vervangen door de leer van Karl Marx en het marxisme. De vader van Marx is joods en komt uit een geslacht van rabbijnen. Hij bekeert zich tot het protestantisme. Marx is tijdens zijn jeugd dan ook niet door joodse ideeën beïnvloed. Vanaf de geschriften van Marx wordt de klassenstrijd geëist. Daarmee is sprake van een conflictmodel.

Later valt dit marxisme uiteen in het radicale socialisme, dat bijvoorbeeld terug te vinden is bij het communisme van Lenin, en het meer gematigde socialisme, dat ook in West-Europese landen vertegenwoordigd is.

Het socialisme gaat niet uit van individuen, zoals het liberalisme, maar van de gemeenschap. De staat speelt een belangrijke rol bij de socialistische leer. In het socialisme is geen ruimte voor godsdienst. Socialisten beschouwen godsdienst als hulpmiddel voor de elite in de klassenmaatschappij.

De stichters van de staat Israël beroepen zich op het socialisme. De Labour-partij stond voor het zogenaamde kibboetssocialisme. In de praktijk is de politiek echter steeds verder naar rechts opgeschoven en is Israël eigenlijk een nationalistische staat.

Ook binnen de Arabische wereld is geen sprake van socialisme. De Egyptische president Nasser belooft wel socialisme als hij aan de macht komt in 1954. Ook de Ba’ath-partij in Syrië noemt zichzelf socialistisch. In de praktijk is het Arabische socialisme echter niet hetzelfde als het westerse socialisme. Zo bevindt de Arabische vrouw zich bijvoorbeeld in een ondergeschikte positie. Dit komt weinig overeen met de socialistische levensovertuiging. Bovendien beslist in de Arabische wereld de islam voor een groot deel het leven, terwijl bij het socialisme juist geen sprake is van godsdienst. Ook zijn er christenen die zich christen-socialist noemen.

 


Gerelateerde Berichten