Scheuring binnen christelijke kerken.

 

Woordbetekenis

Afgeleid van het Griekse woord schizein, dat ‘splitsen’ betekent. Splitsing is het gevolg van onverzoenbare religieuze tegenstellingen. In principe is het christendom tegen scheuringen, omdat met een schisma het ‘lichaam van Christus’ (de kerk) in delen wordt gescheurd. Toch ziet een aantal kerken zich in de loop van de eeuwen genoodzaakt tot scheuring. Belangrijkste voorbeelden van schisma’s in de geschiedenis zijn het Grote Schisma in 1054 en het Westers Schisma, dat duurt van 1378 tot 1417.

Grote of Oosterse Schisma (1054)

Het betreft de scheuring tussen de Rooms-katholieke kerk (Rome) en de Oosters-orthodoxe kerk (Constantinopel). Het is het resultaat van een lange periode van twist en het volgen van verschillende lijnen. Het heeft uiteindelijk plaats in 1054. Zo gaan de westerse kerken uit van een Heilige Geest binnen God en de Zoon. Bij de oosterse kerken is dat alleen maar bij God en niet bij de Zoon. Ook verschillen zij van mening over de hoogste autoriteit. Bij de oosterse kerken is de hoogste patriarch die van Constantinopel (en dus niet die van Rome). Daarnaast staat de oosterse kerk het priesterhuwelijk toe.

Westers Schisma (1378-1417)

In deze periode is sprake van twee pausen: de traditionele paus, die vanuit Rome regeert en een tweede paus, die vanuit Avignon de kerk leidt. Twee groepen bestrijden elkaar: de ene groep meent dat de paus alle macht moet hebben en de andere groep wil meer macht voor de concilies. De strijd wordt in 1418 beslecht.

Ook allerlei andere afsplitsingen binnen de christelijke kerkstructuur, zoals die binnen de protestantse kerken, kunnen als schisma bestempeld worden. Mensen die een politieke of kerkelijke afsplitsing bewerkstelligen heten wel schismatici. Nederland kende veel van beide. Aan wat de verzuiling wordt genoemd lijkt rond de eeuwwisseling een eind te zijn gekomen.

 

Beoordeel dit artikel

Gerelateerde Berichten