Term die binnen de binnen de Joodse religieuze traditie gebruikt wordt om goedgekeurd voedsel als ‘rein’ en eetbaar aan te merken. Het christendom hecht er geen waarde aan. De islam neemt de bijbelse opdracht over, zij het in aangepaste vorm.

 

(Ned. schrijfwijze: kosjer; spreek uit: koos-jer.)
Het woord Kosher is afgeleid van het woord kasher (kasjèr), dat ‘geschikt’ betekent.

Binnen de joodse religieuze traditie bestaan eeuwenoude spijswetten. die samen het Kashroet (Kasjroet, Kasjrut, Kashruth, Kashrus) genoemd worden. Ze zijn te vinden in Leviticus 11 en Deuteronomium 14 van de Hebreeuwse Bijbel. Gelovige Joden zien het als hun plicht zich er zo volledig mogelijk aan te houden. Ook moderne, ‘liberale’ joden proberen er geheel of gedeeltelijk aan te gehoorzamen. Onduidelijk blijft met welk doel de wetten zijn opgesteld. Joodse bronnen noemen vooral het aankweken van zelfbeheersing en de onhygiënische omstandigheden in de woestijn.

In het kort gaat het erom dat in principe alleen ‘reine’ dieren gegeten mogen worden. Reine dieren zijn dieren die gespleten hoeven hebben en herkauwen. Een varken herkauwt niet en is daarmee dus ook niet kosher. Er zijn gedetailleerde lijsten in omloop met dieren die wel en niet gegeten kunnen worden. Ook moeten reine dieren op de juiste manier geslacht en bereid worden. Hierbij is sprake van ritueel slachten. Alleen een persoon met de juiste opleiding kan ritueel slachten. Aderen waar nog bloed in of aan zit moeten worden verwijderd. Ook kunnen bepaalde combinaties van voedingsmiddelen niet-kosjer (= treife) zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij vlees en melk. Deze scheiding is zelfs zover doorgevoerd dat veel Joden in de keuken een vleeshelft en een melkhelft hebben. Ook dienen verschillende serviezen te worden gebruikt. Een Joods restaurant is altijd een melkrestaurant of een vleesrestaurant, maar serveert nooit beide.

In de Nederlandse taal wordt het woord kosjer ook op een andere manier gebruikt: om aan te geven of iets wel of niet in de haak is. Andere woorden met soortgelijke betekenis zijn: jofel (jophel) en tof (tov).

Een populair verwijt aan christenen, dat ze varkensvlees eten en zich dus niet aan de opdrachten in hun eigen Bijbel houden, lijkt misplaatst. Al de eerste generatie christenen zag het geheel van de joodsreligieuze voedselwetten als achterhaald. Op kleine afsplitsingen als oud-orthodoxen (Rusland; patriarch Nikon), cisterciënzers en zevendedagsadventisten na houdt bijna niemand zich eraan. De opheffing van het gebod is beschreven in Handelingen 10 en 11. Petrus ontvangt de goddelijke boodschap dat alle soorten vlees in orde zijn. Voor de opheffing wordt in de Bijbel net zo min een motivatie gegeven als voor de instelling. Wel hebben eeuwenlang ‘katholieken’ zich gehouden aan de jaarlijkse vastenperiode. Het aan de joodse spijswetten verbonden gebruik lijkt sinds enkele decennia te verdwijnen.

Binnen de islamitische traditie worden de oeroude joodse spijswetten nog wel geëerbiedigd, zij het in een aangepaste versie. Het islamitische equivalent voor kosher is halal. Ook de islam kent een aan de spijswetten verbonden periode van vasten. De meerderheid van de moslims vast jaarlijks een volle maand. Het gebruik heet de Ramadan. In de medische wereld is kritiek: de algemene houding van moslims tegenover moderne geneeskunde en vooral de vastenperiode zouden leiden tot extreme percentages (onder meer) diabetespatiënten. Of dat in het verleden ook voor de christelijke wereld heeft gegolden is onduidelijk.

Sommige theologen wijzen erop dat de aard van de wetgeving aan verandering onderhevig is: op het lichaam gerichte wetten maken plaats voor regels die de geest aangaan. Jezus en rabbi Hillel komen met een nieuw, meer op de moraal gericht stelsel van geboden. De basis ervan is ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’ en ‘behandel een ander zoals je zelf behandeld wilt worden’.

De opheffing van de spijswetten leidt soms tot jaloezie bij religieuze Joden tegenover christenen. Nog in onze tijd kan een Jood – luchtig, maar met een ernstige ondertoon – opmerken hoe oneerlijk het tussen de religies verdeeld is. “Jullie krijgen het cadeau. Wij moeten ons nog steeds streng aan meer dan zeshonderd wetten houden. Jullie aan niet één. En toch hebben we allebei kans op een plekje in de hemel.”

Publicatiedatum 1e versie: mei 2006 (Annebeth Vis) .
Aangevuld en herzien: februari 2011 en januari 2013 (Govert Schinkel)

 

 

Beoordeel dit artikel

Gerelateerde Berichten