2008

Israël en internationaal recht: Barbertje moet hangen.
Auteur: Harrie Verbon

(verschenen in De Internationale Spectator, jg 62 (2008), nr. 9, pp. 491-494.)

 

Degenen die de Palestijnse zaak een goed hart toedragen beroepen zich vaak op het “internationaal recht” om hun veroordeling van Israël te onderbouwen. Het gaat hierbij om resoluties van de Verenigde Naties (VN) waarin Israël wordt veroordeeld dan wel wordt bevolen bepaalde handelingen te verrichten. Dergelijke resoluties zijn er in overvloed. Meer dan een kwart van de VN resoluties die de mensenrechtensituatie in een land veroordelen hadden betrekking op Israël. Zes van de tien speciale bijeenkomsten van de Algemene Vergadering gingen over het Midden-Oosten conflict en eindigden vaak in een veroordeling van Israël. Voor de (internationale) burger die deze veroordelingen probeert te bezien in het perspectief van de mensenrechten elders in de wereld is de grote aandacht voor vermeend onrecht als gevolg van het optreden van Israël verbazingwekkend. Zoals Bayefski ook betoogt, kunnen de uitspraken van de VN over Israël moeilijk als proportioneel worden beschouwd als men beziet in welke gevallen de aantasting van mensenrechten tot op heden niet werden veroordeeld1.

Het is voor een objectieve beschouwer moeilijk zich aan de indruk te onttrekken dat in de kwestie Israël het internationaal recht misbruikt wordt om eng politieke doeleinden te realiseren. Dat dit mogelijk is, komt kennelijk doordat de scheiding van machten op internationaal niveau niet goed gerealiseerd is. Voor een deugdelijk nationaal rechtssysteem wordt algemeen de scheiding van de machten als een noodzakelijke voorwaarde gezien. In Nederland werd er bijvoorbeeld over geklaagd dat het Tweede-Kamerlid mevrouw Verdonk demonstratief aanwezig was bij het proces tegen de mevrouw die verdacht werd van doodslag op een Marokkaanse tasjesdief. Men wil niet dat de politiek zich bemoeit met de toepassing van het recht.

Bij het internationaal recht wordt er echter wel ”recht” gesproken door belanghebbende staten, namelijk in de algemene vergadering of de veiligheidsraad van de Verenigde Naties. De resoluties die in deze organen worden aangenomen hebben het karakter van een rechtelijke uitspraak (al zijn de resoluties van de algemene vergadering niet dwingend), maar worden uiteraard mede beïnvloed door de politieke belangen van de lidstaten. In het geval van Israël was er in de jaren ‘70 en ‘80 sprake van een hecht blok van Arabische landen en landen in de invloedssfeer van de Sovjet Unie die er vaak in slaagden Israël in de verdachtenbank te krijgen. Dit wijst op een ander probleem, namelijk dat staten die onderdeel zijn van het internationaal rechtssysteem in eigen huis vaak geen deugdelijk rechtssysteem bezitten, maar toch invloed uitoefenen op de uitspraken in het kader van het internationaal recht.

Het meest dichtbij het ideaal van een scheiding der machten komt het Internationale Hof van Justitie waar, naar ik aanneem, zonder ruggespraak recht wordt gesproken. Helaas blijkt ook hier dat politieke pressie de uitspraken van het Hof kunnen beïnvloeden. Dat heeft zich met name voorgedaan bij de beoordeling door het hof van het Israëlische veiligheidshek op de Westoever uit 2004.

In dit artikel wil ik twee gevallen bespreken waar eng politieke bedoelingen van de VN in zijn uitspraken klaarblijkelijk de overhand hebben gehad. Ten eerste gaat het hierbij om de non-legitimiteit van de nederzettingen, zoals uiteengezet in resolutie 446 uit 1979 van de veiligheidsraad en ten tweede gaat het om het advies van het Internationale Hof van Justitie over het Israëlische veiligheidshek. In de conclusie behandel ik dan de vraag in hoeverre deze en andere, hier verder niet uitgewerkte, uitspraken in het kader van het internationale recht bijgedragen hebben tot de oplossing van het Israël/Palestina conflict. Ik zal daar betogen dat de werking voornamelijk contraproductief heeft uitgepakt omdat beide partijen zich mede door deze uitspraken extreem hebben opgesteld. Het zou een bijdrage aan de vrede zijn als de organen van de VN zich een tijd niet met het conflict zouden bemoeien en het aan de grootmachten zouden overlaten om te proberen vrede tussen alle partijen tot stand te brengen.

De nederzettingen

Volgens resolutie 446 zijn de nederzettingen die Israël op bezet gebied heeft gebouwd

in strijd met de Vierde Conventie van Genève die een bezettende mogendheid

verbiedt om delen van zijn eigen burgerbevolking over te brengen naar bezet gebied.

Deze conventie is na de tweede wereldoorlog opgesteld om de gedwongen

volksverhuizingen te voorkomen die de Nazi’s in Oost Europa organiseerden. In het

geval van de Israëlische nederzettingen op de Westoever is er natuurlijk geen sprake

van gedwongen deportatie. De nederzettingen zijn oorspronkelijk niet het gevolg van

doelbewust Israëlisch regeringsbeleid. Integendeel, door pressie van orthodoxe Joden

heeft de Israëlische regering na de zesdaagse oorlog van 1967 moeten gedogen dat

Israëliërs zich in bezette gebieden gingen vestigen. Deze “kolonisten” vestigden zich

in onbewoonde gebieden en deden dat vrijwillig. Ook al verschaften latere Israëlische

regeringen soms subsidies aan kolonisten, dan is dit nog niet te vergelijken met Nazi

deportaties.

Dit is dan nog afgezien van de vraag in hoeverre de Westelijke Jordaanoever

als bezet gebied kan worden beschouwd. De Westoever behoorde aan geen enkele

soevereine staat legaal toe op het moment dat Israël de macht kreeg over dit gebied

tijdens de zesdaagse oorlog van 1967. Jordanië had weliswaar na de

onafhankelijkheidsoorlog van Israël in 1948 de Westoever geannexeerd, maar dat was

een illegale handeling volgens internationaal recht. Israël kan dat gebied dus ook niet

“teruggeven” aan de vorige rechtmatige eigenaar, want de vorige rechtmatige

eigenaar was in feite het Verenigd Koninkrijk dat zich in 1948 echter uit het gebied

had teruggetrokken nadat de VN in 1947 het verdelingsplan voor Palestina hadden

aangenomen. Weliswaar hadden de VN in dat plan het zelfbeschikkingsrecht van de

lokale Arabische bevolking erkend, maar die bevolking heeft dat geschenk nooit

geaccepteerd. De Arabieren hebben altijd geweigerd om een twee-staten oplossing te

accepteren. Zowel het voorstel van de zogeheten Peel commissie, in 1937 ingegsteld

vanwege de Britse regering, om het Palestijns gebied voor 2/3 deel in een Arabisch

gebied en voor 1/3 deel in een Joods gebied op te splitsen, als het VN verdelingsplan

van 1947, als de zogeheten groene lijn van de wapenstilstand van 1949 zijn niet door

de Arabieren geaccepteerd. Als gevolg daarvan liggen de grenzen tussen Israël en een

onafhankelijke Arabisch Palestijnse staat niet vast.

De Verenigde Naties heeft na de zesdaagse oorlog uitgesproken dat er sprake

was van bezetting door Israël. Het internationaal recht laat alleen het gewelddadig

bezetten van een land toe als dat gemotiveerd wordt door zelfverdediging. Dan is een

tijdelijke bezetting gerechtvaardigd totdat er door de andere, aanvallende partij

voldoende garanties voor veilige grenzen worden gegeven. Vanuit die optiek is de

bezetting door Israël rechtmatig als we er van uitgaan dat de zesdaagse oorlog in 1967

voor Israël een verdedigingsoorlog was. Dit werd impliciet door de VN ook

uitgesproken in resolutie 242 waarin tegenover ontruiming van bezette gebieden door

Israël vredesakkoorden werden verlangd tussen Israël en de Arabieren. Deze resolutie

sprak echter niet van “de” bezette gebieden en gaf daarmee impliciet aan dat de

partijen via onderhandelingen (veilige) grenzen moesten vaststellen. Er is na 41 jaar

nog steeds geen vredesakkoord met de Palestijnse Arabieren. De partijen waren er

dichtbij in de Camp David/Taba onderhandelingen van 2000/2001 toen president

Clinton, mede uit naam van Israël, aan Arafat 95 tot 99 procent van de Westoever en

beheer over de Arabische gebieden in Jeruzalem aanbood. Zoals bekend vond Arafat

dat niet genoeg en werden de onderhandelingen afgebroken. Als die

onderhandelingen ooit weer op gang zullen komen, moet afgewacht worden in welk

land de nederzettingen als gevolg van dat vredesproces terechtkomen. Overigens was

in de Oslo akkoorden van de jaren ’90 tussen de Fatah van Arafat en Israël niets over

de nederzettingen vastgelegd. Nederzettingen zouden onderdeel zijn van een finale

overeenkomst die echter, doordat over en weer de afspraken van het akkoord niet

werden nagekomen, nooit werd gesloten.

Opvallend is derhalve dat, terwijl al in 1979 door de veiligheidsraad de

nederzettingen als illegaal werden bestempeld, in latere diplomatieke processen deze

illegale status nauwelijks een rol speelde in onderhandelingen. De status van

Jeruzalem, het recht op terugkeer van vluchtelingen en de finale grenzen waren steeds

de belangrijkste onderwerpen. Het is dan ook evident dat zodra die grenzen door de

betrokken partijen zijn vastgelegd het lot van de nederzettingen ook zal zijn bezegeld.

Hoewel momenteel de nederzettingen over de gehele Westoever zijn verspreid is het,

gezien het Camp David proces van 2000, in het geheel niet evident dat nederzettingen

voldongen feiten creëren. Met andere woorden, hoewel het vanuit het standpunt van

de lokale Arabische bevolking begrijpelijk is dat de uitbreiding van de nederzettingen

als een verdere inperking van hun toekomstige grondgebied worden geïnterpreteerd,

zal een vredesverdrag de grenzen definitief moeten vastleggen. Hoe langer een

vredesverdrag uitblijft, des te hoger de kans dat de nederzettingen wel als voldongen

feiten worden geïnterpreteerd.

Het veiligheidshek

De zaak van het Israëlische veiligheidshek of “de muur” zoals die door het

internationale gerechtshof is behandeld heeft bij juristen tot veel kritische

commentaren geleid3. Dit betrof allereerst de vraag of het hof deze zaak niet had

moeten laten rusten, gezien het feit dat één van de partijen, namelijk Israël zich niet

aan het oordeel van het hof wilde committeren. Het tweede kritiekpunt betrof de vraag

of aan het belang van Israël genoeg gewicht is toegekend, ook al wilde dat land zich

niet committeren.

Wat het eerste punt betreft, de uitspraak van het hof kon niet bindend zijn,

omdat de zaak niet was aangespannen door de betrokken landen, maar door de

algemene vergadering van de VN. In de formulering van die adviesaanvraag klonk het

vooringenomen standpunt van de algemene vergadering door. Zo werd in het verzoek

Israël omschreven als de bezettende macht in het bezette Palestijnse gebied, die zich

door de bouw van de muur met al zijn schadelijke gevolgen niet houdt aan de regels

van het internationale recht4. In de aanvraag was geen enkele verwijzing naar de

motieven van Israël voor de bouw van het hek, terwijl de bouw al als illegaal werd

bestempeld. De adviesaanvraag kon niet anders bedoeld zijn dan als een verzoek aan

het hof om een bevestiging dat het hek in strijd was met het internationale recht. Er

werd kennelijk niet verwacht dat het hof, zoals bij een ‘normaal’ juridisch geschil, de

belangen van de beide partijen zou wegen. Het leek er veel op dat de Algemene

Vergadering van de VN alleen maar een juridisch stempel wenste op zijn politieke

stellingname.

Het zou het hof gesierd hebben als het geweigerd had deze rol te vervullen,

maar dat deed het niet. Het bracht een advies uit, waarin inderdaad geen belangen

werden gewogen, maar alleen maar bevestigd werd wat de Algemene vergadering

wenste te horen, namelijk dat de afscheiding strijdig was met het internationale recht.

Zo heeft het hof in zijn uitspraak niet meegewogen het recht op zelfverdediging door

Israël tegen terroristische aanvallen, omdat ze zich op het puur formeel-juridische

standpunt stelde dat het hier alleen kan gaan om verdediging tegen een aanval van een

andere Staat, terwijl de Westoever waar vandaan de terroristische aanvallen werden

gepleegd niet als een Staat werd beschouwd, kennelijk. Het hof heeft zich in zijn

oordeel verder laten leiden door de vraag of de rechten van de locale bevolking

werden aangetast. Het gaat hier om confiscatie en het agrarisch gebruik van land. Dat

zijn uiteraard terechte overwegingen, maar het hof heeft dan weer niet meegewogen

wat Israël hier tegenin heeft gebracht, namelijk dat er financiële compensatie

beschikbaar was voor eventuele gedupeerden, en er een beroep kon worden gedaan op

het Israëlische hooggerechtshof bij vermeende onrechtmatigheden.

Het belang en het mogelijke verweer van Israël zijn in deze zaak

waarschijnlijk niet meegenomen door het hof, omdat Israël besloten had zich niet aan

het oordeel van het hof te onderwerpen. Maar het hof had kunnen weten dat op deze

eenzijdige beoordeling van het veiligheidshek in het gegeven advies verstrekkende

gevolgen voor het beleid van de VN zouden volgen. Het advies werd namelijk direct

daarna door de algemene vergadering van de VN in een resolutie omgezet. Juridisch

gezien maakt dat het advies over “de muur” nog steeds niet bindend, hoewel dat door

velen wel zo wordt beschouwd5. Inmiddels staat de “muur” voor sommigen symbool

van de Israëlische politiek van annexatie van de Westoever6.

Conclusies

Nadat de Britten het mandaat over Palestina hadden gekregen in 1917, gaven zij de

zogeheten Balfour-verklaring uit waarin zij een Joods thuisland in Palestina

toezegden. De Arabieren hebben deze belofte nooit kunnen accepteren, en hebben

daar vanaf het begin met gewelddadigheden op gereageerd. Het conflict bestaat dus

inmiddels meer dan 90 jaar. Het door de lokale Arabieren gepleegde geweld heeft hen

nooit enig voordeel opgeleverd. Integendeel, voor de tweede wereldoorlog verloren ze

de sympathie van de Britten, na de tweede wereldoorlog verloren ze de sympathie van

de Westerse en aanvankelijk zelfs de communistische wereld. Toen, vanaf de jaren

zestig Arabische landen en het Oostblok een contra Israël gerichte politieke macht

hadden ontwikkeld in de besluitvormende organen van de VN, verloren de Arabieren

het op militair gebied van de inmiddels dominante staat Israël. Arabisch geweld hielp

nog steeds de lokale bevolking dieper de put in. De tweede Intifada vanaf 2000

ruïneerde wat er nog over was van de economie op de WestOever, maar gaf bovenal

Israël een (legitiem) excuus een veiligheidshek te bouwen, waarmee wellicht weer

nieuwe voor de lokale Arabische bevolking nadelige feiten gecreëerd werden, zoals

dat al bijna 90 jaar gaande is geweest.

De dominantie van de Arabische en/of moslimlanden in de VN, tot

uitdrukking komend in de vele resoluties die Israël veroordeelden, heeft al evenmin

tot vrede geleid. Barbertje moest hangen, maar Barbertje werkte niet erg mee. De

evident eenzijdige en juridische inconsistente onderbouwingen van vele van deze

resoluties heeft de bereidheid van Israël concessies te doen niet vergroot, maar hebben

ook Palestijnse leiders op het verkeerde been gezet. Dit is ook door de Palestijnse

onderhandelaar Agha en de Amerikaanse onderhandelaar Malley in een gezamenlijk

artikel pregnant tot uitdrukking gebracht7. Toen president Clinton met zijn “eindbod”

kwam tijdens de Camp David/Taba onderhandelingen van 2000/2001, weigerde

Arafat op deze voorstellen in te gaan. Agha en Malley schrijven: ‘The President’s [i.e.

Clinton’s] proposal showed that the distance traveled since Camp David was indeed

considerable, and almost all in the Palestinians’ direction.’ De weigering van Arafat

was volgens Agha en Malley mede gemotiveerd omdat hij meende op basis van VN

resoluties recht op meer te hebben: ‘Arafat preferred to continue negotiating under the

comforting umbrella of international resolutions rather than within the confines of

America’s uncertain proposals.’

Met andere woorden, de VN resoluties die het uiterste van Israël vroegen,

hebben van beide kanten een onproductieve invloed op het vredesproces gehad. In

plaats van nieuwe resoluties, veroordelingen van of juridische procedures tegen Israël,

zou het in het belang van de oplossing van het conflict zijn als de besluitvormende

organen van de VN zich voorlopig niet met het conflict bemoeien en het aan de

diplomatieke inspanningen van de grootmachten (EU, VS en Rusland) overlaten om

een rechtvaardige en gegarandeerde vrede tot stand te brengen in het Midden Oosten.

Harrie Verbon, hoogleraar openbare financiën aan de Universiteit van Tilburg

1 Zij noemt schendingen van de mensenrechten in Ruanda, Zimbabwe en China, zie: Anne Bayefski,

One small step (is the UN finally ready to get serious about anti-Semitism), Wall Street Journal, 21

juni 2004.

2 Hier geldt uiteraard wel dat niet alle rechters uit rechtsstaten afkomstig zijn. Zo was de voorzitter van

de commissie van het Internationale Hof van Justitie die een “advies” uitbracht over het zogenoemde

“veiligheidshek” dat Israël op de westelijke Jordaanoever heeft gebouwd, een Chinees, afkomstig dus

uit een land dat niet bepaald bekend staat om de naleving van mensenrechten.

3 Zie bijvoorbeeld diverse artikelen in The American Journal of International Law van januari 2005.

4 Request for Advisory Opinion at the International Court of Justice, 10 December 2003, beschikbaar

op: http://www.icj-cij.org/docket/files/131/1497.pdf. Opvallend is dat er gesproken werd over “de”

Palestijnse gebieden, hetgeen in tegenspraak is met resolutie 242 uit 1967 waarin impliciet wordt

erkend dat de grenzen niet vastliggen. Daarnaast wordt de afscheiding aangeduid als een “muur”,

terwijl het grootste deel van de constructie bestaat uit metaal en voor maar een klein deel uit beton.

5 In Nederland bijvoorbeeld heeft Van Agt diverse malen betoogd dat de uitspraak van het hof als

bindend moet worden beschouwd, zie http://www.driesvanagt.nl.

6 Zie bijvoorbeeld Maarten Barends, Israëls hegemonie kan moreel failliet niet langer verhullen,

Internationale Spectator, maart 2008.

7 Zie Hussein Agha en Robert Malley, Camp David: The tragedy of errors, New York Review of Books,

9 augustus 2001.

 


Gerelateerde Berichten